Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze keek om zich heen. Daar schuin onder haar was de ingang van het huisje. Daar zat Tommie nu op de zolder, wie weet hoe mistroostig te wachten op den kleinen baas en de kleine vrouw. Het kon best zijn, dat hij jankte van dorst.

Maar wat zag Fien nu ? Ze hield zich vast aan de takken om haar heen, om toch vooral niet verder te glijden. De deur van het huisje ging open. Iemand kwam naar buiten kijken. Fien zag niet goed, wie het was. Geen jongen. Een man. Een kleine man. Het moest de enge man zijn, die haar 's morgens ook al was gepasseerd.

Wat deed hij in het onbewoonbaar verklaarde huisje ? En waarom kéék hij nu zo? Op deze laatste vraag wist Fien het antwoord. Natuurlijk had hij het leven gehoord van haar vallen. De takken hadden verschrikkelijk gekraakt. Hij kwam eens kijken, wat er aan de hand was.

„Pas op, Fien, niet gillen!" Niemand zei het. Maar Fien dacht het. En ze gilde niet. Haar voet deed verschrikkelijk pijn, maar ze deed geen mond open.

Misschien komt Peter dadelijk toch wel, dacht ze. Dan roep ik hem. Met Peter samen zou ze niet bang zijn van den kleinen man. Alleen was ze zo bang van hem. Ze wilde zelfs geen hulp van hem hebben.

Wat zat ze een lange tijd daar onder tegen die struiken!

De kleine man kreeg haar niet in de gaten. Hij gaf na enige minuten het kijken en luisteren op. Hij ging weer terug in het huisje.

Hoor ik Tommie? dacht Fien. Ze hoorde hem niet. Misschien zat die kleine hond wel doodstil op de zolder. Wie weet, dacht hij wel, dat de oude zak het mooie

Sluiten