Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden zo'n fijne reuk. Maar ze moesten eerst iets van Fien hebben om daaraan te ruiken.

Moeder en tante Fien zagen vader met den agent aankomen. Ze begrepen al, waar het om ging. Ze kwamen naar beneden met het schort, dat Fien had aangehad.

„Denkt de commissaris, dat er een ongeluk met Fien gebeurd is?" vroeg ze bang.

„Neen, neen, mevrouw," zei de goede agent, „we willen alleen uw dochtertje terugbrengen, vóór er een ongeluk met haar gebeurd is."

De hond snoof en snuffelde. Allereerst ging hij de richting uit van tante Cor. Maar een paar straten verderop trok hij den agent de kant op van de Dirklangedwarsstraat.

„Zo zoek je haar ver en ze is vlak bij," zei vader.

„We hebben haar nog niet," antwoordde de agent. Bij de groentewinkel keerde de hond weer terug. Hij liep de Vest op. Hij trok en trok. Regelrecht bracht hij zijn baas en den vreemden mijnheer naar het smalle paadje, dat zo gevaarlijk schuin naar beneden leidde. De hond blafte kort.

„Hier moet ze vlak bij zijn," zei de agent, die de manieren van de hond zo lang bestudeerd had.

„Fien, Fien!" riep vader.

Fien schrok op uit haar doezeling.

„Vader, vader," riep ze terug.

Vader en de agent liepen de hond na naar beneden.

„Vader, mijn voet, pas op mijn voet," gilde Fien. „O," zei ze verrukt, „wat een fijne hond is dat!"

Vader boog zich over haar heen. „Hoe kom jij hier ?

vroeg hij. _ n

„Ik wou naar dat kleine huisje gaan," wees Fien. „En toen viel ik. En, o vader, wat ben ik blij, dat u

Sluiten