Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we best met hem klaar komen. De eerste kogel is voor hem. Nou, en wat er verder nog bij is, telt niet eens mee, in de wagen zat geloof ik een vrouw en er achter reed een halve

gek, met een sabel op zij.

— Poeh! Wie hier in het Westen een sabel draagt, is zeker

niet goed snik.

— Dat zal hij ook wel niet geweest zijn, want hy was veel te vriendelijk om normaal te zijn.

— Dan zal het wel in orde komen; valt er voor mij ook nog

wat te verdienen?

— Natuurlijk.

De negerin had nu een behoorlijke hoeveelheid brandy te voorschijn gehaald en de mannen grepen gretig naar de glazen. Onder veel luidruchtig gelach en rumoerig elkaar toedrinken was er een algemeen geroezemoes, gedurende hetwelk de hoofdman met de waard aan het smoezen ging.

De leeggemaakte flesschen werden al spoedig door volle vervangen en er kwam uit de kroeg een walm van sterke drank naar buiten en een geschreeuw en een lawaai klonk tot ver in de dorpsstraat, waar de bewoners zich er wel voor hoedden, te dicht bij den ingang te wagen.

Plotseling echter verstomde het lawaai in de kroeg en aller oogen richtten zich verstoord en tevens nieuwsgierig naar de deur.

Door die deur kwamen drie mannen. Geen gewone mannen, maar drie heel buitengewone mannen. Twee van hen zaten te paard en de derde zat op een.... muilezel. En als het nog maar een gewone muilezel was, dan zou het nog niet zoo erg geweest zijn, maar het was een dier, dat heelemaal grijs en kaal geworden was door de jaren.

De berijder was een meer dan zonderling mensch, want wie hem zag, kon niet anders dan hem aanstaren en hem een grappig kereltje vinden. Om te beginnen had hij kromme beenen en die staken in onmogelijk lange zware laarzen; waar de laarzen eindigden begon een leeren overjas, een z.g. jachtrok, die hem veel te groot was en waar meer stukken op gezet waren dan er nog leer van de oorspronkelijke jas was overgebleven. Die jas zou gewoon blijven staan, wanneer men hem uittrok en op den grond neerzette, want de vele jaren dat hij had dienst gedaan, hadden er een stijf harnas van gemaakt. Wat er dan nog verder boven dien jas uitkwam, was niet erg veel, want op die jas stond een levensgroote hoed, oorspronkelijk waarschijnlijk van ^ ge-

weest, maar door de jaren van een volkomen ondefiniëerbaren kleur en vorm geworden Het was geen hoed meer en geen pet ook, nog een hoofddeksel van welken bekenden vorm ook; zoo was er maar één enkele op de geheele wereld. Tusscben dat hoofddeksel en die jas kwam aan de voorzijde een bos haar te voorschijn, wat bij nader inzien uit tweeën bestond. Het eene gedeelte was een kolossale baard en het andere gedeelte was het hoofdhaar, dat onder den hoed uitkwam en met de wenk-

Sluiten