Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een voorzorgsmaatregel nemen.

— Welke dan?

— Ik zal u vastbinden, dan zijn we zeker, dat u dezen keer niet achterblijven kan.

— Vastbinden, meneer Sam? Waaraan?

— Niet u, maar uw paard zal ik even vastbinden en wel aan den wagen, waar ge achter loopt.

— Kan dat dan?

— Zeker wel. Let maar eens op.

Sam nam nu de teugels van den knol, waarop Emeritus zat en bond deze aan den wagen vast. De Emeritus was in het geheel niet gebelgd, maar juist erg dankbaar.

De tocht kon slechts langzaam gaan, want de ossen liepen nu eenmaal niet harder. Zoo kwam het, dat de stoet eerst twee uren nadat het dag geworden was, te Tucson aankwam.

Men spande de ossen uit en gaf hen te drinken, terwijl natuurlijk de heele jeugd aanwezig was, om getuige te zijn van dit in deze omstreken niet alledaagsche schouwspel. Vooral de zonderlinge Emeritus had verreweg het meeste bekijks en weldra had hij een gesprek weten aan te knoopen met jan en alleman om zijn Engelsche taal te luchten. En hij wist er maar een heen klein beetje van!

Naar Sam's aanwijzingen werd nu halt gemaakt en de vrouwen en kinderen konden even uitstappen om zich wat te rekken en te verpoozen.

In dien tusschentijd ging Sam naar het bureau van het garnizoen om de verdere plannen te gaan bespreken. Dick Stone en Will Perker zouden in dien tusschentijd een oogje in het zeil houden.

Daar aangekomen vroeg hij naar den commandant, maar kreeg ten antwoord, dat deze met een talrijke troep uitgetrokken was, om nabijgelegen stammen te tuchtigen. Sam werd dus voor een plaasvervangend commandant gebracht, een kapitein, die hem boven komen het. Toen Sam binnenkwam, zat de kapitein te lezen in een der zeer oude kranten, die in die omgeving echter nieuw genoemd worden, daar er geen betere te krijgen zijn.

Nauwelijks had hij Sam hooren binnen komen, oi hij keek verrast op en staarde verbaasd naar de verschijning, die hem, dat bleek heel duidelijk, zeer belachelijk voorkwam.

Eindelijk barstte hij in een luid lachen uit en vroeg tqpn:

Allemachtig! Wie is dat? Zoo'n zeldzame malloot heb ik

van mijn leven nog niet gezien!

— Ik ook niet, zei Sam rustig, terwijl hij met zijn hand een beweging maakte, die liet weten, dat hij er den kapitein mee bedoelde.

— Wat? Wat durf jij te zeggen? stoof de kapitein op.

— Is het soms niet goed, wanneer men u gelijk geeft?

— O, dat is wat anders. Het doet me genoegen, dat je jezelf zoo goed kent. Werkelijk, ik heb nog zelden zoo'n harlekijn ge-

Sluiten