Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Dat zullen die anderen wel weten.

— Kom mee dan, op hen af.

Zij slopen naderbij en toen ze vlak bij hen waren, stonden zij opeens met het mes in de hand voor de drie mannen, die van schrik niet wisten, wat zij moesten doen.

— Gij zijt de man, die mijn broeders vermoord hebt!

Grinley, tegen wien het was gezegd, zei geen woord van angst.

— Waar zijn die andere twee bleekgezichten? ?

Weer was het de slimmere broer Buttler, die het antwoord moest geven.

— Gij vergist u; het waren die andere bleekgezichten, die u broeders hebben vermoord.

De Indiaan liet Grinley los.

— Dat is niet waar, want mijn broeder hier (en hij wees op de eerste verkenner) heeft het zelf gezien.

— Dan vergist hij zich eveneens.

— Wie deed het dan?

— Die andere twee blanken.

— Oef! Wat gemeen! Gij wilt den schuld op een ander schuiven!

— Dat wil ik, ja, want zoo is het.

— Neen, want zij zijn niet meer hier, dus zij zijn weggegaan.

— Dat zijn zij niet.

— Maar waar kunnen zij dan zijn?

— Dat zal ik u zeggen, wanneer gij ons wilt gelooven.

— Een bleekgezicht kan men nooit gelooven.

— Dan behoef ik het niet te zeggen.

Al dien tijd had hij den tijd gehad om naar een gepaste leugen te zoeken, want hij kon nooit vertellen, waar de gevangenen zaten, daar zij anders door de Indianen zouden worden verlost en dan zou het er nog slechter voor hen uitzien.

— Dan zal ik u ertoe dwingen

— Dat is niet noodig, want wij maken er geen geheim van. Wij zijn hen nu kwijt, dus kunnen we gerust vertellen, dat we er blij om zijn.

— Waarom?

— Omdat zij het op ons leven voorzien hadden.

— Dus ze zijn wel weg?

— Nee.

— Maar ze zijn toch niet meer hier?

- — Ja.

— Waar dan?

— Hier.

Hij wees op het water.

-— Oef! Bevinden zij zich in dat water?

— Ja.

— Ze zijn dus verdronken?

— Ja.

— Lieg niet! Er is geen mensch, die in dat water zal gaan.

— Ze zijn er ook niet vrijwillig ingegaan.

Sluiten