Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hoezoo?

— Zij wilden niet, maar moesten toch.

— Hebt gij hen ertoe gedwongen?

— Ja.

— Gij hebt hen verdronken?

— Ja.

— Gij. .hebt hen... .verdronken?

De Indiaan, een wilde, had toch nog meer gevoel in zich dan de drie boeven, want een man martelen is bij een Indiaan een gelegenheid geven tot een roemrijken dood, een krijgsmansdood, wat een man zich tot een eer kan rekenen. Maar iemand zoo maar verdrinken, dat was hem onbegrijpelijk, omdat er heelemaal geen moed voor noodig was, en omdat de slachtoffers daardoor geen gelegenheid kregen, hun dapperheid te toonen. Bij de martelpaal kunnen zij toonen, dat zij flinke mannen zijn, door geen klacht te uiten onder het pijnigen, maar verdrinken, zonder een kans op een roemrijke entrée in de jachtvelden der vaderen, dat is het ergste en mag men zelfs zijn vijanden niet aandoen.

— Ik walg van u! Bah!

— Waarom?

— Gij hebt mannen van uw eigen ras vermoord, zonder dat zij uw vijanden waren, gij hebt hen doodgeslagen, zonder dat zij met u gevochten hebben, anders zouden de sporen hier moeten zijn; gij hebt hen in het water gegooid, zonder hen te dooden. Gij zijt zeer slechte menschen.

Na deze toespraak wendde hij zich vol haat van hen af; eenige zijner krijgers bonden hen en namen hen mede.

Geen woord werd er over vuil gemaakt; het was besloten, dat de mannen, die zoo gehandeld hadden, ter dood veroordeeld zouden worden. Geen hoop was er meer voor hen; trouwens, zij hadden niet beter verdiend.

Door de reuk van de olie voortgedreven, gingen zij zoo snel mogelijk van het meer vandaan; zij gingen een eindje meer Westwaarts en legerden zich onder een stel zeer hooge boomen, waar zacht gras een goed maal voor de paarden beteekende.

Tijdens den rusttijd, die de Indianen hielden, voor zij tot den maaltijd overgingen, trachtte Grinley, zijn verloren rechten op het leven alsnog terug te winnen.

Hij vroeg aan den aanvoerder der Navajo's:

— Waarom wil mijn broeder ons vermoorden, wanneer hy een eerlijk krijger is?

— Omdat ik u met gelijke munt wil betalen.

— Hoezoo?

— Gij hebt uw makkers in het water gegooid, terwijl ook zij recht op het leven hadden.

— Maar, wat hebt gij daarmee uit te staan?

— Niets, maar gij hebt onze broeders vermoord.

— Dat hebben die anderen gedaan.

Sluiten