Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Daarom zullen we afwachten, of ze den volgenden dag denken op te trekken tegen de Navajo's.

— Maar, kwam nu Frank zich erin mengen, wanneer zy nu niet weggaan, dan zitten wij met de gebakken peren.

— Hoezoo?

— Omdat we vandaag den heelen dag niets geen water hebben gehad en gisteren aan dat oliemeer evenmin. Wanneer we nu morgen ook niets krijgen, dan ziet het er leelijk voor de vrouwen en kinderen uit.

— Tja, daar valt nu eenmaal niets aan te doen.

— Goed, maar ik versmacht al van de dorst, en we kunnen beter nu, dan morgen naar beneden gaan om water te halen.

— Nee, Frank, zei nu Old Shatterhand op gebiedenden toon, we gaan nu slapen en morgen wachten we netjes, totdat de Nijora's vertrokken zijn.

Hiermee was het afgeloopen en wie er verder iets op tegen had, kon er toch niets meer aan veranderen.

De mannen gingen uiteen en begonnen hun zadels af te nemen, om zich ter ruste te begeven.

Hobble-Frank was weer heel gewoon, tegen iedereen; maar, tegen dien emeritus die hem zoo erg grof de waarheid gezegd had, daar bleef hij toch nog een beetje kort tegen.

Den Emeritus beviel dat heelemaal niet. Hij was een man, die geen vlieg eenig kwaad kon doen, dus die vond, dat Frank het zoo boos had opgenomen, erg vervelend.

Hij zon op een manier om zich weer bij Frank aan te dienen, zonder dat hij bang hoefte te zijn, door dezen weer teruggewezen te worden.

Een poging tot nadering was reeds hopeloos mislukt en de goede organist peinsde en peinsde, maar kon niets bedenken.

Na het gesprek met Old Shatterhand echter had hij plotseling een lumineus idee: Hobble-Frank had dorst, had hij gezegd, dus wat lag er meer voor de hand, dan dat hij zou trachten water voor hem te gaan halen?

Hij keek eens om zich heen: allen sliepen al zoowat. Alleen Droll, die de wacht had, zat voor zich uit te staren. Nu kon hij zijn kans dus wagen, zonder dat er een was, die hem kon tegenhouden. Voorzichtig graaide hij onder zijn hoofd, waar in de tasch van het zadel nog een flesch zat.

Nu wachtte hij nog even: daar ging Droll naar de paarden kijken. Snel sloop hij voort en zoodra hij dacht, dat Droll hem wel niet zou kunnen hooren, ging hij rechtop loopen en met groote stappen doorliep hij de kleine afstand tot aan den rand van den heuvelrug

Alles was goed gegaan, maar toen hij even op de helling was, waar hij geen weg wist en waar hij door zijn haast nogal groote stukken steen deed losraken, kon hij zijn vaart niet lang houden. Hij gleed meer dan dat hij liep, omlaag. Natuurlijk hadden de Indianen, die de wacht hadden het ge-

Sluiten