Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Er zijn er twee van.

— Maar wat zijn dat dan voor Indianen? vroeg Wolf.

— Dat waren twee Indianen, die eens naar den President der Vereenigde Staten van Amerika moesten, om iets te vragen over een verdrag, dat er gesloten was, en dat hem niet erg beviel.

— Zij werden natuulijk grootsch ontvangen en men noodigde hen aan een maaltijd, bij den president. De tafel was overdekt met allerlei spijzen en dranken en men kon en aanzien, dat zy er er gtegenop zagen al die spijzen eer aan te doen.

Daarom raadde de oudste Indiaan den jongsten alleen van die spijzen te eten, die het beste waren.

— Hoe weet ik nu, welke de beste zijn? vroeg de jongste.

— Dan kijk je maar,, van welke ze allemaal het minste nemen; dat zal wel het duurste zijn.

Na lang kijken en ongemerkt loeren, bemerkten de twee, dat er eel kleine beetjes genomen werden van een goedje, dat in een zilveren scaaltje zat. Het was een bruin goedje, en iedereen nam ervan, maar sleets heel weinig.

De vlugge oogen van den jongen Indiaan adden een dergelijk scaaltje weten te ontdekken, dat niet ver van em af stond en op een oogenblik, dat er niemand keek, had hij op sluwe Indianen-manier et scaaltje in zijn handen.

Met een lepel, die naast hem lag, haalde hij heel snel tweemaal achter elkaar een volle lepel eruit en sloeg dat naar binnen. Zijn kaken klapten dicht en een snelle blik om zich een overtuigde hem ervan, dat geen der aanwezigen dat had gezien.

Met een uitgestreken gezicht zette hij het schaaltje weer weg en eve nlater begon hij aan de verorbering van de lekkernij. Langzaamaan begon hij te zweten en hij werd om beurten rood, wit en blauw in zijn gezicht, mar, naar Indiaansche gewoonte liet hij niets merken, wat er in zijn binnenste, in dit geval zijn mond, omging. Tenslotte kon hij zijn tranen niet meer inhouden en deze rolden achter elkaar over zijn wangen. Wat kon dat voor goedje zijn geweest? De Booze Geest? Was het vuur uit de hel? Eindelijk, waagde hij de noodsprong en slikte met een bewonderenswaardige manmoedigheid de heete massa in.

Een glas water deed wonderen en nu was het weer een beetje beter. De oudste zag de tranen en vroeg mededeelzaam:

— Waarom weent mijn jonge broeder?

De jongste voelde wel, dat hij zijn Indiaansche koelheid geen oneer mocht aandoen en zei dus:

— Ik ween, omdat vijf jaar geleden mijn vader in de Missisippi verdronken is.

De oudere kon niet anders doen dan een medelijdend „ach" laten hooren en verder had hij geen tijd, want het schaaltje, waarvan zijn jongere broeder zooeven had genomen, was toevallig in zijn buurt neergezet en nu mocht hij zijn kans niet laten passeeren. Hij had gezien, hoe de jongste twee volle

Sluiten