Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steen te klimmen, terwijl het minste gerucht door de vier Indianen aan den anderen kant zou worden gehoord.

Deze twee mannen deinsden echter nergens voor terug en terwijl Winnetou met zijn rug tegen den rots ging staan, nam hij Old Shatterhand op en lichtte hem als een veertje de hoogte in.

Boven op die_ nsteen lag, zooals overal op steenen, die jaren en eenuwen lang onaangeroerd liggen, ee ndikke laag mos. Even glijden enOld Shatterhand lag in den afgrond. Maar ook hier ging het goed, dank zij de geweldige kracht, die hij in zijn handen had en waarmee hij zich opeens vastgreep aan een gleuf in dien steen.

Nauwelijks was hij boven of met een lus van de lasso, die hij bij zich had, wist hij Winnetou naar boven te halen, zoodat het niet lang duurde of daar lagen beide al te luisteren.

Het gesprek was in vovllen gang en ze hoorden:

— Mokaschi zal er spijt van hebben, zoo gehandeld te hebben, want hij had mijns inziens eerst zoo snel mogelijk die honden van Navajo's moeten opzoeken om hen te dooden, dan zou hij sterk hebben gestaan tegenover de bleekgezichten.

— Dat scheelt slechts één dag, dat we die Navajo's later afstraffen.

— Hoezoo?

— Wanneer we die bleekgezichten mores hebben geleerd, dan gaan we zoo snel mogelijk naar de Navajo's en zijn dan slechts één dag later dan nu.

— Het verschil is meer dan één dag, want we hebben onze pas vertraagd, om de blanken naderbij te laten komen.

— Niet erg, want die jakhalzen van Navajo's zullen laf in hun holen blijven, zoolang zij niet weten, dat wij aankomen.

— Maar dat weten zij.

— Dat weten zij niet.

— Wel waar ,want zij hebben hun verkenners niet zien terugkomen en hebben reeds lang anderen uitgezonden.

— Dan zijn wij er ook reeds.

— Neen, want die verkenners komen dezen kant uit en zullen ons ontdekken en dan zullen de Navajo's ons aanvallen, inplaats van wij hen.

Er was een ietwat scherpen toon in de wijze, waarop hij dat zeide en de hoofdman Mokaschi duldde dat niet.

Met een boozen trek op zijn gezicht zei hij:

— Mijn oudere broeder moge bedenken, dat hij als oudere misschien meer beleefd heeft dan ik, maar dat ik tenslotte hoofdman ben van den stam en dat alle anderen zich naar mijn wil moeten voegen.

Met gebogen hoofd zei de oude:

— Goed; Mokaschi heeft groot gelijk, hij kan zijn wil doorvoeren.

— Ja, dat zal ik en straks zult gij zien, dat ik gelijk heb gehad.

Sluiten