Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemand. Soms denk ik, ik moet maar terug naar huis, maar in andere oogenblikken houdt het me hier zoo vast. Alsof ik hier iets moet afmaken met mezelf, ik weet zelf niet wat. En nu ik jou ken .... maar jij hebt zooveel werk ....

— Nu niet, deze maanden niet. En morgen is het Woensdag, dan ben ik om één uur vrij; zal ik dan 's middags komen?

— O, wil je? Kom dan koffiedrinken; ik heb al mijn maaltijden alleen gebruikt, dat was vreeselijk .... Wat een kind, wat een verwend kind ben je nog, dacht Ruut. Hoe lang doe ik dat al, dag aan dag en hoevelen doen het jaren achtereen.

Wild schreeuwde opeens de uil, die uitvloog op roof.

— Hoor je dat nare beest? Ik heb altijd het gevoel, of hij me hoont; hij jouwt zoo hatelijk eiken keer, als ik uitga en thuis kom.

— Hij bedoelt het goed, Mia, hij was een van tante's liefste pleegkinderen. Boerenjongens hebben het uilennest eens uitgehaald, de ouden schreeuwden zoo, dat tante naar buiten vloog. Ze heeft de jongens weggestuurd en de jonkies mee naar huis genomen; prachtig waren ze, drie kleine grijs-bruine Dürer-uiltjes met groote,verschrikte oogen.Tante heeft ze inde kuikenren gezet, ze zaten er gekleumd tegen elkaar in een hoekje, wij voerden ze brood en melk, overdag waakte de oude over hen boven in den denneboom en 's nachts bracht hij hun uilevoedsel, kikkers en muizen en zoo bleven ze in leven. Na drie weken waren ze volwassen, toen zijn ze een voor een weggevlogen; ik begrijp nog niet, hoe

Sluiten