Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartjes, ach Heer, wat een zoete hartjes! Waar heeft ze ftie liefies toch vandaan?"

— Ik breng de kinderen dadelijk naar bed, sprak Lucie, die knikkebollende Pietje eerst z'n soep en toen blokje voor blokje zijn boterham voerde; ze hebben vanmiddag geen van beiden geslapen en ze waren vanmorgen zoo vroeg wakker.

— En dan, bedisselde Ruut, ga jij ook subiet naar bed en als je er in ligt, brengen Mia en ik je de thee boven.

— Stel je voor, 't is nog geen zeven uur, ik ga den koffer nog uitpakken. En wie wascht dit alles af?

— Ruut en ik, Ruut blijft hier vannacht slapen voor de gezelligheid.

— En dien koffer, vond Ruut, laat je maar rustig staan tot morgen; jij bent natuurlijk gisteren ook laat en vanmorgen vroeg geweest. Je mag nu heerlijk uitrusten in je bed, je hoeft nog niet te gaan slapen, zoolang het licht is en uit je open raam kan je de zon zien ondergaan; dat is je zeker in geen maanden overkomen in die onmogelijke Amsterdamsche straat. Nu je in 't Huuske bent, mag je heelemaal niet meer bazen, nu moet je doen, wat Mia zegt en zorgen, dat ze een beetje eer aan je behaalt; je ziet er fataal uit. Als ik dien pake eens spreek

— Ik zal wel zoet zijn, zei Lucie met een glimlach.

Er waren twee menschen, die voor haar zorgden, die wilden, dat ze rustte en die haar dan nog kwamen verwennen. Ze had zooveel maanden lang dag aan dag gewerkt tot aan het einde van haar krachten, ze hadden

Sluiten