Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Maar jij, Lucie .... jouw toekomst!

— Dacht je nu heusch, dat ik 's avonds met een gerust geweten kon gaan slapen, als ik bij een oude dame niets hoefde doen dan voetje voor voetje door de zon te wandelen en petits fours op haar ontvangdag te presenteeren, terwijl ik wist, dat Polleke 's nachts om me riep, als ze een bui had, dat pake, als hij 's avonds laat thuiskwam geen warm bord soep kreeg, omdat jij over alle scheuren en gaten van uitputting in slaap was gevallen ?

— Dat is juist, wat me zoo mismoedig maakt, ik kan je niet missen en ik heb voor mezelf het gevoel, dat je niet langer blijven mag.

— Het verandert misschien wel, had Lucie getroost, het leven is soms zoo verrassend.

En een week later, toen ze op schreien af voor den zesden keer het strijkgoed in den steek moest laten, om naar de bel te gaan, was de brief van Ruut gekomen met Mia's uitnoodiging.

Lucie zat nog op de trap te lezen, toen moeke met de kinderen, die frissche lucht hadden moeten happen, moe en warm van de stekende voorjaarszon in de onbeschutte straten, thuiskwam.

Naast elkaar op de derde trede hadden ze toen de plannen uitgewerkt.

— Zal 't niet te druk zijn, al dien tijd zonder mij ?

— Nee, nee, jokte moeke, zonder Pietje en Polleke zijn de nachten zoo rustig en de anderen zijn groot genoeg, om alleen uit te gaan, ik kan dan alle morgens thuis blijven. En 't gevoel, dat er wat gedaan wordt, dat Piet en Pol verandering van lucht krijgen, dat jij een rustigen

Sluiten