Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

honderd uit van tante Lucie en tante Mia, die samen kookten en afwaschten, van tante Lucie, die alle ramen gelapt had en tante Mia, die groote klompen had aangetrokken en iedereen kletsnat had gespoten met de glazenspuit en van tante Ruut, die zoo dikwijls op visite kwam.

— Eten jullie veel aardbeien uit je tuin? vroeg Brecht eens.

— O ja, eiken dag, tante Lucie heeft er jam van gekookt, zóóveel waren d'r en we hebben een mand vol aan pake en moeke gestuurd.

— Jullie hebt geen jonge worteljes, hè? zei Brecht op een anderen keer.

— Nee, maar Christientje's vader heeft ze.

— Ik heb zulke mooie; ga eens mee liefies en hou het mandje goed vast, dan kan Brecht gebukt blijven, want ze heeft een steen in haar rug .... kijk toch eens, wat een mooie goud-gele peentjes, geen wurmpie d'r in ... . en zoet, als ze zijn, zoet als suiker .... een koningsmaaltje zullen ze d'r vanmiddag aan hebben en ze zullen wat blij zijn, dat Brecht over d'r wrok heen is ... . ze smelten in de mond ... met goeie boter stoven, heel, heel langzaam op een zacht vuurtje en wat fijne peterselie d'r over strooien .... het is altijd goed om de eerste te zijn .... nou gaan we ze wasschen onder de pomp, hartjes .... en nou een bandje d'r omheen. Breng ze nou maar aan tante Mia en zeg er bij — goed onthouden, hoor! — compliment van Brechtje en als dat ze hoopt, dat de peentjes juffrouw Mia goed mogen smaken. En als ze over koken praten, zeg dan: niet

Sluiten