Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het beschutte terrasje naar die al donkerder en dreigender wordenden hemel, naar de boomen, die als opgeschrikt uit hun weldadige rust met al hun bevende bladeren in angstige afwachting stonden tegen de helling.

— Wat zitten we hier goed, vond Lucie, je merkt nauwelijks, hoe het is afgekoeld.

— Is het afgekoeld ? vroeg Mia verwonderd.

— Kom maar eens kijken op den thermometer, hoe hij gedaald is sinds vanmorgen. Ik ga even een jasje voor de kinderen halen; ze kunnen nog wel buiten blijven, zoolang het niet regent.

Aan den anderen kant van 't huis, waar Piet en Pol, ongevoelig voor weersveranderingen, in hun luchtigste zomerkleeren in 't gras zaten te spelen, schrok Lucie een oogenblik van den guren wind, die haar tegensloeg.

— Gauw jullie wolletjes aan, kinders. En kom bij ons op het terrasje, daar is het veel lekkerder.

Ze dacht even, toen ze haar hand tegen Polleke's te koele wangetjes legde: Ik hoop, dat ze geen kou gevat heeft, ze komt zoo prachtig door den kinkhoest heen en met elke verkoudheid beginnen die ellendige buien ook opnieuw.

Maar na den middagdut, toen Pol met een kleur als een roos opdook uit haar warme bed, bleef Pietje tegen z'n gewoonte doorslapen en aan het avondeten hing hij lusteloos tegen Lucie aan, verdrietig door een moeilijken hoest, die geen kinkhoest was, zoodat Lucie hem weer met een kruik in bed stopte.

— Niet weggaan, schreide Pietje.

Sluiten