Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een mannestem, veel te jong en te jolig voor den bezadigden dokter riep: „Wat heb jij een lieve tante Mia; ze wist zeker, dat we in geen dagen bessen of frambozen hadden gegeten."

— Wat bezielt die ongelukkige Pol! riep Mia verschrikt; het is de dokter niet.

— Wie kan het dan zijn? vroeg Ruut.

Maar Lucie stond al op het terrasje met ten Voorde en Rekx en ze leidde hen binnen.

Polleke, die met een verbluft gezichtje om de bezoekers heendraaide, zei wat verwijtend, alsof het Mia's schuld was: „En die meneeren zeggen, dat ze niet eens dokters zijn."

— Nee, maar die eene meneer wórdt dokter.

— O, berustte Pol, had u dan voor hèm de vruchten geplukt ?

— Wel nee, kind, voor hem zeker niet. Maar nu de meneeren hier zijn gekomen, mogen ze meeëten en blijven.

En ze bleven; ze aten alle vruchten op en niemand dacht meer aan den ouden dokter, dien ze heel den dag zoo'n gul deel hadden toebedacht; toen dronken ze Brechts koffie en daarna schoven ze bij op het terrasje voor de thee.

En toen de dokter op z'n weg naar huis nog even aankwam om naar Pietje te kijken, bleef ook hij, op Lucie's verzoek, toeven in den kring.

Hij zat in den grooten stoel, waarin hij zoo dikwijls gezeten had in al de jaren, dat hij hier werkte en hij keek met aandachtige oogen naar den ouden, wijden kop

Sluiten