Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar heb je ze eindelijk; ze staan samen te dwepen bij het afgemaaide koren. We dachten, dat jullie vooruit waren geloopen, we zijn al thuis geweest.

Ze waren weer met hun vijven.

— Hè, jammer van het koren, vond Lucie.

— Nee, zei Ruut, waarom? Het koren was nu op z'n allerprachtigst, maar de volgende week zou het met de geringste regenbui door eigen zwaarte zijn neergeslagen. En dit zie je dit wees ze met een

verrukt gebaar — ja ik ben nu eenmaal een korenmaniak, daarom woon ik hier ook. Ik heb eens met mijn broer door de landen geloopen, toen het koren aan schooven stond en die heeft ze me leeren zien. Hij zei: „Dat is het prachtigste, zooals zedaar zonder opzet, zoo maar argeloos zijn neergezet en elke schelf is weer anders, kijk, hoe stevig die met al zijn voeten op den grondstaan, rijp en klaar, volkomen bereid alleste ondergaan, hoe dan ook .... en die met hun aren, neigend naar de goede aarde, waarvan ze onverbiddelijk zijn afgesneden .... en die sterke schoof, die zich beschermend als een moeder buigt naar dat wankele schoofje, tegen haar aangevlijd. Ik kan best begrijpen, dat een schilder altijd weer schooven maakt, het heele leven en de eeuwigheid vind je in een rijp korenveld terug." Wim zelf kan uren door zoo'n veld loopen, dan om de eene, dan om de andere schelf en maar kijken, kijken, maar hij heeft, geloof ik, nooit meer dan enkele krabbels gemaakt.

— Hij zal nog wel weer eens beginnen, zei Lucie; hij heeft altijd zoo precies z'n kracht gekend.

Sluiten