Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze liepen stil langs het stille pad en al zwakker werd het feestgedruisch.

Om sneller uit de volte naar buiten te kunnen komen, had hij haar arm door den zijnen getrokken en nog altijd liepen ze zoo, dicht naast elkaar.

Hij keek naar haar gebogen hoofd en hij vroeg zich af, waarom ze zoo bewogen was.

Is er iets gebeurd, toen we weg waren, Mia, iets verdrietigs?

— Nee, fluisterde ze. ...

— Ik vond het jammer, dat we weggingen, ik was liever gebleven, maar ik kon niet te veel tornen aan het plan van de anderen en we hadden zoo'n Pech met het teruggaan; midden op de heide scheurde ten Voorde s buitenband, toen hij over een leeg melkblik reed; we moesten hem om beurten op sleeptouw nemen.

O, zuchtte ze verruimd en toen lachte ze. Ik begreep

al niet, waarom je niet terugkwam.

Had ze dan om hèm geschreid? Omdat ze vreesde, da

hij wegblijven zou? Had ze naar hem verlangd, zooals

hij naar haar? Elk uur, elk oogenblik?

Ze liepen onder het appelenlaantje van het Huuske, waar de rijpende vruchten voor »t grijpen hingen aan «de lage takken.

Hij stond ineens stil, tegenover haar.

O Mia, ik heb al dien tijd, dat ik weg was, niet

anders dan aan jou gedacht, ik heb alle nachten uren wakker gelegen, om het uit te denken . . . . ik houd zoo van je, Mia .... ik weet niet, of ik het je zeggen mag,

Sluiten