Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een auto je voorbij snorde, zat je tot je nek onder de spatten.

Lucie van Waerden zit in de erker naar buiten te kijken. Ze heeft die middag vrij van school. Haar huiswerk heeft ze klaar en nu heeft ze een handwerkje opgezocht, waar ze mee bij het raam is gaan zitten, omdat het zo vroeg donker is.

Ze geniet van de fietsers, die het, bij die gladde weg, toch al zo hachelijk hebben en die in doodspelikanenbenauwdheid, zoals Lucie zich pleegt uit te drukken, het vege lijf moeten bergen, als er een auto aankomt. Ze schatert, als er een niet bijtijds de dans ontspringen kan en heftig verontwaardigd de auto nakijkend zich met een zakdoek de natte sneeuwmassa's tussen hals en boord verwijdert.

„Zie je Rietie nog niet aankomen?" vraagt haar moeder.

„Nee mams, nog in geen velden of wegen te zien .... o, kijk die mijnheer eens, bijna „stoepte" die ... jammer! 'k Had zo graag gezien, dat hij 'n modderbad genomen had!" roept Lucie geïnteresseerd.

„Kind, ik begrijp niet, dat jij altijd pret hebt in 't ongeluk van 'n ander!" zegt mevrouw Van Waerden bestraffend.

„Ongeluk? Is dat nu 'n ongeluk, als zo'n mijnheer in de modder valt?" meent Lucie zich te kunnen verontschuldigen.

„Nu, prettig zou het voor dien mijnheer allesbehalve zijn geweest.... Zoek de pantoffels van Rietie eens op en zet ze hier bij de haard — 't kind zal wel koud en nat zijn!"

„Ze heeft haar laarzen aan!" zegt Lucie op onverschillige toon, maar ze staat toch op, om aan haar moeders verzoek te voldoen. Dan gaat ze weer op haar uitkijkpost zitten, 't Begint donker te worden.

Sluiten