Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lach daar toch niet om!" zegt haar vader op'scherpe toon. ,,'t Had jouw vader ook kunnen zijn! Dat wij en Zoveel anderen niet aan de drank verslaafd zijn, is niet omdat wij zo braaf zijn. 't Is Gods genade, waardoor wij er voor bewaard blijven en nooit genoeg kunnen we Hem er voor danken, dat Hij in Zijn vrijmachtige genade ons voor die zonde behoedt. Medelijden moet je hebben met die arme stakkers en denk eens aan die ongelukkige kinderen !"

„Nu, maar met Vodden-Bet heb ik geen medelijden, die trekt zich toch nergens wat van aan!" zegt Lucie, die vaders scherpe woorden kalm langs zich heen laat gaan en voelt eigenlijk 'n standje te krijgen door dat dronkenmanstroepje. Stel je voor! Ja, ze zal er om huilen, als die dronken man in 't water valt! Moet hij maar niet drinken! En medelijden met de Voddenprinses? Nee, hoor!

„Dacht je werkelijk, dat Betje Brands zich nergens wat van aantrekt?" vraagt mijnheer. „Dan zal ik je dat eens anders vertellen. Ik heb haar deze week nog gesproken, 'k Heb ze op m'n kantoor laten komen, omdat ik 'n boodschap had aan haar vader, 't Is 'n stakkertje. Je krijgt echt medelijden met haar en toch heeft Ze lang geen onaardig gezichtje; een paar vriendelijke, zelfs sprekende ogen, maar 't kind is in-verwaarloosd, lichamelijk en geestelijk!"

„Zag ze er niet vies uit?" vraagt Lucie.

„Vies? Vreselijk. Ik kon ze niet dicht bij me hebben. In-vuil! Toch had ze 'n keurig kapsel!"

„Ja, ze heeft mooi haar! O, moet u horen. Laatst kwam ze bij onzen kapper, maar die wilde haar niet knippen, ,'k Heb centen!' zei ze en ze liet ze zien, maar 't hielp niet. Ze mocht niet binnenkomen; maar daar trok ze zich ook niets van aan. ,Doö je 't neet?' vroeg ze lachend en ze pakte haar fiets en reed vrolijk weg. Toch schijnt ze iemand te hebben gevonden,

Sluiten