Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe het ook zij — 't waren heerlijke kerstdagen geweest. In de huizen hadden de kerstliederen opgeklonken; op de Zondagsscholen was het grote jaarlijkse feest gevierd; de kleintjes hadden gezongen van het Kindeke in de kribbe; de groteren nagejubeld het engelenlied, gehoord in Efrata's velden: „Ere zij God in den Hoge. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen."

Het Kerstfeest was nu voorbij.

De grote mensen gingen aan de arbeid, maar de kinderen hadden vacantie en .... er was ijs! Ze hoefden nu niet meer met de klomp te proberen of het sterk genoeg was. De ijsbaan was geopend. Daags na Kerstmis had de omroeper het grote nieuws rondgeroepen.

„Jammer!" vond Lucie van Waerden, ,,'t had een dag eerder moeten zijn!"

„Gelukkig!" kreeg ze van haar moeder ten antwoord en ze had maar niet gevraagd, waarom moeder dat zo spontaan „gelukkig" vond. Ze wist, dat er dan weer 'n preek zou volgen en ze begreep ook best, wat moeder bedoelde.

Maar nu was de ijsbaan geopend en waren de schaatsen nagezien.

Alle vriendinnen van Lucie en Rietie hadden die morgen, volgens Lucie, aan de bel gehangen en klokslag half twee komt de hele vriendinnenschaar, al bellende, in kleurige, fleurige ijspakjes, de ijskaart op de borst, aanrijden. Lucie en Rietie, eveneens in ijstoilet, de schaatsen om de hals, sluiten zich aan en daar stuift het groepje weg in de richting van de ijsbaan, de sjaaltjes wapperend in de wind als 'n wuivende groet aan den heer en mevrouw Van Waerden, die de kinderen lachend nakijken.

,/n Leuk stel!" vindt mijnheer en mevrouw zegt lachend: „Kom, man, niet trots zijn op je dochters!"

Sluiten