Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zes, die zo vluukt, in een biezen kistje gelegen had en dan mot-ie daar niet van vertellen."

Toen was mijnheer Bertels aan het vertellen gegaan, dat het niet die Mozes was, die Betje kende, maar een, die veel, veel vroeger geleefd had. Betje had het toen wel beter begrepen.

,,'k Bunt ok zo'n domme!" had ze goedig tegen mijnheer gezegd en daarmee waren allen het eens geweest.

Ze was nu al twee maanden bij de familie Bertels. De ergste dingen had ze wel afgeleerd, maar telkens hadden er nog van die voorvallen plaats, waaruit bleek, hoè dom ze wel was. Of eigenlijk: „dom" was ze niet; daar was ze in die tijd al te veel voor bijgekomen, 't Was altijd nog het gevolg van haar opgroeien in die wildemansomgeving.

Overdag kon mevrouw haar geen ogenblik alleen laten werken. Bij het stofafnemen bekeek ze, als ze alleen was, ieder voorwerp met de grootste aandacht, zodat ze wel een hele dag voor een kamer nodig had. Op de piano stond een beeld van Wagner; daar durfde ze nooit aan te komen; daar was ze bang voor. Beelden waren Rooms, had ze eens tegen mevrouw gezegd en of mevrouw nu al gezegd had, dat het een mijnheer voorstelde, die muziek gemaakt had, Betje moest er niets van hebben. Toen had Johan gedacht haar te vangen en had de Wagnerkop zijn pet opgezet, stilletjes, zonder dat Betje het zag. Daarna had hij gevraagd, of Betje ook wist, waar zijn pet was. Bereidwillig was ze dadelijk gaan zoeken.

„Hij moet hier in de kamer zijn," legde Johan uit, „want ik had hem op, toen ik piano ging spelen."

Zelf zocht hij in een geheel andere hoek dan waar de piano stond.

Plotseling was Betje met een ontsteld gezicht naar hem toegekomen en had hem fluisterend op de pet

Hl

Sluiten