Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze heeft niets te bekennen!" zegt mevrouw. „Stil maar, Lucie," troost ze. „Je hebt het niet gedaan; alles Zal best uitkomen."

„Maar u zult toch moeten toestemmen, mevrouw, dat deze getallen kloppen! Dit zijn de nummers, die mijnheer Olen ons opgaf en hier ziet u 't zelfde nummer ...."

„Dat is voor mij geen bewijs!" zegt mevrouw hooghartig. „Mijn dochter heeft niet gestolen!"

„Maar u vindt het goed, dat wij dit biljet meenemen ?"

„Gaat uw gang!" antwoordt mevrouw op koude toon. „Wensen de heren nog meer?"

„Dank u, mevrouw!"

„Anna," roept ze, „laat de heren even uit!"

De inspecteur verontschuldigt zich en zegt: „Ja mevrouw, we moeten onze plicht doen ... 't Spijt ons...."

„Die mijnheer deed zelfs meer dan z'n plicht!" valt mevrouw hem in de rede en nogmaals zegt ze: ,/t Dienstmeisje zal u uitlaten!"

Betje loopt de agenten achterna en als Anna de deur voor hen open doet, roept Betje ze na: „En toch hèt de juffrouw niet gestolen, lillijke Dikke!"

Mevrouw en Lucie, alleen gebleven, staren elkaar wanhopig aan; dan slaat Lucie haar armen stijf om moeders hals en ze snikt: „Ik heb toch niet gestolen, moedertje ?"

„Welnee, kind! Alles moet een vergissing zijn!"

„Was vader maar thuis .... O, moeder, moet ik nu de gevangenis in?"

„Mal meisje, maak je toch niet zo overstuur. Je zult zien, hoe alles best terecht komt!"

„Maar die nummers dan, moeder?"

„Och kind, alles zal heus wel opgelost worden!" Maar zelf voelt mevrouw ook wel, hoe het dan ook zijn

Sluiten