Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

>/k Zal eens met haar praten/' neemt mevrouw zich voor.

Het blijkt, dat Betje wérkelijk bang is. Bang voor de wraak van Bart de Braaier. Iedereen weet, dat zij de brief gevonden heeft; dat zal Bart ook weten en die zal op haar loeren, omdat ze hem verraden heeft.

Mevrouw probeert die angstgedachten weg te praten, maar 't gaat niet. Betje weet maar al te goed, wat het lot van den verrader is. Ze gaat er slecht van uitzien.

Tot het op een avond gebeurt, dat Anna aan mevrouw komt vragen, waar Betje heen is. Ze had haar mantel aangetrokken en gezegd, dat ze een boodschap moest doen. Maar dat is al meer dan een uur geleden.

Nee, mevrouw heeft haar niet om een boodschap gestuurd.

Wat zou er nu weer zijn?

't Kind doet de laatste dagen zo vreemd. Men wacht in ongeruste spanning 't ene uur na 't andere.

Anna en Lucie en ook mijnheer zijn op de fiets gaan zoeken, maar nergens hebben ze een spoor ontdekt; allen zijn onverrichter zake teruggekomen.

't Wordt half elf .... elf uur ....

Wat zou er zijn? .... Een ongeluk?

„We moesten de politie maar opbellen!" meende mevrouw.

't Werd half twaalf ....

.,'k Ga zelf even naar 't bureau!" zegt mijnheer.

Hij gaat en komt een poos later terug zonder Betje, maar met een agent.

„Er zal een onderzoek ingesteld worden, maar we moeten eerst even op haar kamertje kijken, of er geen briefje ligt. De inspecteur dacht, dat ze misschien weggelopen was."

Op haar kamertje geen briefje.

t „Had ze haar geld zelf in bewaring ?" vraagt de agent. ,/t Is immers dat meisj e, dat die beloning gekregen heeft ?"

Sluiten