Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu maar niet praten!" raadt Pieterse.

Mijnheer Van Waerden loopt achter hem. Hij went wat aan de duisternis en begint de vage omtrekken van bomen en struiken te zien. In een weiland, waar ze langs komen, liggen koeien te herkauwen. Ze horen hen zuchten en steunen. Eén begint er te loeien; die heeft de mensen gehoord. Hard, veel harder dan overdag klinkt dat geloei nu in de stilte van de nacht. Daar stroomt de beek. Een paar eenden vliegen met ratelend wiekgeklap op; mijnheer Van Waerden schrikt er van.

't Valt toch niet mee, zo'n ongelijke weg in de duisternis te lopen. Hij moet uiterst behoedzaam lopen om niet te struikelen. Plotseling blijft Pieterse stilstaan en ja, mijnheer Van Waerden ziet het nu ook, hier staan drie reusachtige eiken vlak bij elkaar. De weg is hier breder, want de bomen staan meer op de beek aan, die er dan ook in 'n boog omheen stroomt.

De agenten luisteren, maar geen verdacht geluid wordt gehoord. Heel in de verte klinkt het geblaf van een hond, en wat dichterbij laat een uil z'n nachtelijke roep horen.

„Nou 's kijken!" zegt Pieterse en met z'n electrische lantaarn begint hij te onderzoeken. De andere agenten volgen z'n voorbeeld. Eén hunner roept al spoedig: „Hier!" Ze komen toelopen en zien, hoe de grond omgewoeld is.

,,'t Lijkt wel, of ze aan 't vechten geweest zijn!" meent er een.

„Ja kijk! Hier heb ik een stok, waar bloed aan zit."

Nauwkeurig wordt de stok bekeken en door Pieterse terzijde gelegd om hem straks mee te nemen.

„Ik geloof, dat ik het begin te begrijpen .... Dat briefje was niet van d'r vader, 't Was 'n valstrik van Bart!" zegt mijnheer Van Waerden.

„Daar kon u wel 's gelijk aan hebben!" stemt Pie-

« r* M

Sluiten