Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag. Dezelfde voortvarende zelfstandigheid als voor maanden, maar nu geen onbesuisdheid, geen onbezonnenheid, maar een rustig doorzetten, waarbij de liefde richting aangeeft.

Betje verlangt er telkens naar, dat ze weer komt. Mevrouw is wel lief en vriendelijk en doet alles, om het de zieke naar de zin te maken, maar tegen mevrouw durft zij zich niet te uiten, dan is ze verlegen en Lucie heeft er juist zo'n slag van, om haar aan 't praten te krijgen. Die leest haar zulke mooie verhalen voor; dan ligt ze stil te luisteren en voelt geen pijn; dan is ze gelukkig.

Ze heeft aan de politie moeten vertellen, hoe het gebeurd is, maar veel waren ze niet te weten gekomen. Een jongen had gebeld en haar stilletjes dat briefje gegeven; „van oe vaoder" had hij haar toegefluisterd. Ze was zo geschrokken. Ze had het dadelijk geloofd en daarom was ze gegaan, 't Waren twee „vrienden" geweest, ze hadden eerst gevraagd, of ze centen bij d'r had en Betje, die gedacht had, dat vader ook komen Zou, had de twee papiertjes gegeven. Toen hadden ze haar vastgegrepen, geslagen en geschopt en ze hadden steeds maar geroepen: „da kriegt 'n verraaier!" Eindelijk hadden ze haar met een stok op het hoofd geslagen en toen had ze ineens niets meer gevoeld, tot Ze in het water weer bij kwam en instinctmatig op de kant was gekropen. Overal had ze pijn gevoeld, en toen ze had willen weglopen, werd ze zo raar en wist verder niets meer.

Of ze ook wist, wie die mannen waren.

„Nee!"

Of zij ze helemaal niet kende ? Of ze niet kon zeggen, hoe ze er uitzagen.

't Was nee, en 't bleef nee. 'n Grote angst kwam bij al dat gevraag over haar.

Mevrouw, die bij het verhoor tegenwoordig was,

Sluiten