Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar den hoek, van den hoek naar de kast, van de kast weer naar het venster.... en altijd waren de jagers iets te kort en de vleermuis iets te vlug. Koos maakte allerlei luchtsprongen en Trotzli danste als een bezetene in het rond, maar de vleermuis danste nog beter en kleefde nu eens hier dan weer daar aan de zoldering.

Nou daar!.... Hup, hup.... Koos struikelt over den bidstoel van den pastoor, de kaarsendomper vliegt naar beneden, au, au, midden op den wijwaterbak.... en een wijnkannetje ligt aan stukken. Dat was de eerste strop en de tweede volgde vlak daarop.

De vleermuis was wat lager gekomen en kleefde precies achter den gestruikelden Koos aan den muur. „Hier, jij akelig beest!"

... .Trotzli zwaait den wijwaterkwast, hij suist omlaag, een gil.... een schreeuw: „Ezel! Ik ben toch geen vleermuis!" ....hij had Koos

lag hij nu op de plaats van het ongeluk. En de vleermuis fladderde vroolijk

In twee stukken gebroken

Dat was nog niet zoo erg, maar Koos had een zeer dikken kop en een harden schedel... en toen was het met den goeden ouden kwast gedaan. Daar kon hij niet meer tegen.

midden op zijn verwarden kop geslagen.

Trotzli zwaait den kwast, hij suist omiaag...

een gil: „Ezel!"....

Sluiten