Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meter diepen put zinken. Trotzli kende dezen put heel goed, want hij had er dikwijls kringetjes in gespuwd. Maar hij had ook al dikwijls voor den ouden Heinz den zwaren emmer uit de diepte opgetrokken, wat hem altijd een half-bedwongen glimlachje van den brommerigen slotbewaarder had opgeleverd.

Heinz hield anders heelemaal niet van jongens, omdat ze hem plaagden. Alleen Trotzli had een streepje voor, want hij praatte altijd zoo hard, dat ook de slechthoorende Heinz nooit „Hè?" moest vragen; hij was hulpvaardig en ondanks zijn ondeugende kwajongensoogen nooit brutaal.... Dit „streepje" zweefde nu als een vaste ster in Trotzli's groote gedachten. Opeens sprong hij op, sloeg de handen in de lucht, rukte een hazeltwijg van de haag en rende den heuvel af.... het heele plan zat al kant en klaar in zijn hoofd: morgen namiddag was hij vrij van school, dan moest de schat in den „Ringelnatter" worden opgegraven. Hoera! Het eerste kapitaal voor de toekomstige goede daden!

De „Compagnie der schatgravers" was spoedig opgericht. De technische leiding lag in handen van Trotzli, want hij alleen kende zoo half en half de duistere gangen, kelders en muurgaten in het kasteel. Koos bood een houweel, een spade en een breekijzer aan. Karei, Sep en Frits spuwden in hun smerige handen en werden als mijnwerkers in de „Compagnie" opgenomen. Max, het rijkeluiszoontje, dat steeds het meeste zakgeld had, moest voor de „fourage" zorgen. Niet ingewijde en te weinig beproefde kameraden werden niet uitgenoodigd.

Toen het 's Woensdagsmiddags twee uur sloeg, sloop

Sluiten