Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dorpsstraat vandaag zoo nauw en smal was; want ieder oogenblik botste hij tegen een huis of tegen een schutting. Naarmate hij dichter bij den molen kwam, werd de weg eenzamer; daar waren geen muren of schuttingen meer en zoo gebeurde het, dat zatte Ludi nu eens rechts, dan weer links van den weg in een sloot rolde. Het was maar goed, dat ze door de hitte grootendeels waren uitgedroogd.

Toch waren zijn schoenen weldra kletsnat en vol modder.

Omdat hij den weg al wel honderd keeren in zoo'n benevelden toestand had afgelegd, vond hij tenslotte ook nu weer den ouden molen, die droomerig en rustig tusschen de elzeboomen aan de beek lag. Ludi's slaapkamer was heelemaal boven den graanzolder. Hij moest eerst een kleine houten trap op, dan over de groote leege deel, waar een paar meelzakken aan den kant stonden, dan

over den graanzolder, waar de voorraden lagen en de meel- en kafkisten stonden en dan kwam de eerste trap, die naar Ludi's woonvertrek voerde. Dat was voor een muldersknecht met twaalf glazen inhoud een moeilijke tocht, doch Ludi kende iedere trede van buiten.

....Het verwonderde hem, dat de dorpsstraat vandaag zoo smal was.

Sluiten