Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons de kaartjes moeten koopen. De gaatjesknipper zei wel „biljetten", maar dat vind ik een zot woord. Toen meester ons de namen van de omliggende bergen ging vragen, toen heb ik lekker niets gezegd, want ik wilde vandaag geen „schooltje spelen". De meester kende die bergen natuurlijk allemaal, want hij had een groote landkaart op zijn knieën.

Het was een heerlijke morgen en de bergen leken heel dichtbij. De Bürgenstock is een heel grappige berg. Hij ligt op den grond als een kameel, die zijn vrachtje laat opladen. Boven langs de rotsen loopt de wereldberoemde „Felsenweg". Het liefst zou ik eens met de lift omhoog willen, want het gaat steilrecht omhoog als in een hotel. Jammer genoeg moesten wij den Bürgenstock voorbijvaren, maar als ik groot ben en geld genoeg heb, dan ga ik hem beklimmen.

Aan den Meggenhorn staat een heel groot beeld van Onzen Lieven Heer met de armen wijduit. Op de boot waren dames, die dit beeld nog dommer aankeken dan vroeger de vrouwen van de Farizeeën in Jerusalem.

Maar daar trekt het zich niets van aan, het strekt zijn armen toch uit en zegent het meer en de menschen, die eerbiedig den hoed afnemen.

In Weggis en Vitznau zijn veel vreemdelingen met deftige mantels uitgestapt. Enkele dames droegen heele vossen om den hals, hoewel het warm was. Een meisjesschool stapte juist in de Rigibahn. Eerst zongen ze een liedje, maar toen begonnen ze zoo te krijschen en te gillen, dat de oude locomotief van woede begon te sissen.

Toen wij in Vitznau vertrokken, kwam er een wind,

Sluiten