Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij in een worpje had gebeten, en gooide toen den mooien appel weg.

„Zeg," riep Trotzli, terwijl hij naar hem toerende, „zulke appels gooi je niet weg, begrepen!"

„Dat gaat je geen steek aan, ik heb appels genoeg!"

„Zoo, gaat mij dat geen steek aan? Zeg dat nog eens, jij.... veelvraat,.... papventje!" Er stond al een dozijn jongens om het twistende tweetal.

Max werd vuurrood als een roode biet. Als Trotzli alleen geweest was, dan had hij hem een paar trappen met zijn nieuwe bergschoenen gegeven; maar omdat er plotseling een zwerm vijanden om hem heen stond, wist hij

niets anders te doen, dan van woede te simmen en in zijn drift wierp hij met zijn mooie appels naar zijn kameraden, zoodat de vruchten tegen den muur van de school stukkletsten.

Toen trad Trotzli naar voren, groot en waardig als een burgemeester, en hield een prachtige rede: „Zeg — weet jij wel, dat meer dan tien gezinnen van Ergenshuizen geen appelboom hebben? "Weet jij ook, dat meer dan tien jon¬

gens nooit een appel mee naar school krijgen, omdat hun vader en moeder die niet kunnen geven? Weet jij wel,

Dat ze tegen den muur stukkletsten.

Sluiten