Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harten toch sneller kloppen dan anders; want voor zoo'n reuzeboer was het maar een kleinigheid, om zoo'n half dozijn magere jongens ineens in te slikken. Maar Trotzli sprak bij zichzelf: „Wees een man,.... al rooken we nog geen pijp, we laten ons toch zoo maar niet van de deur afslaan! Boer Moosegg heeft er genoeg en hij kan best wat geven; we zullen hem het vuur wel aan de schenen leggen!"

Heel braaf en deugdzaam (dat kostte hun heel wat moeite!) klopten de zonderlinge bedelknapen aan de eiken huisdeur. Deze ging open en als een Hercules stond de boer zelf in de groote zwarte opening van de gang, die hij bijna tot aan de muren vulde. Hij keek de jongens aan

van school af.... een, twee, drie.... zes stuks, gezond

als de reus in het sprookje, schoof de lange pijp in den hoek van zijn mond en vroeg: „Zoo — en?"

Trotzli stond voorop: hij zou het woord doen: „Goeien dag, meneer Moosegg.. .. eh.... eh.... wij komen.... eh.... wij hadden graag.... eh.... of u zoo goed zou willen zijn, ons iets voor de armen te geven?"

„Goeien dag, meneer Moosegg!"

„Potdorie-sapristie-nog-toetoch! Komt er dan nooit een eind aan dat gebedel? Zulke kerels, nog niet eens

Sluiten