Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van lijf en leden, met volle buiken en ronde wangen.... duivekater nog toe.... moeten die nog gaan bedelen!"

„Ja, maar meneer. ... meneer de baas, wij...."

„Niks meneer de baas! Werken moeten zulke jongens, hout hakken, mest rijden, sommen maken! Denken jullie, dat boer Moosegg ook den heelen dag zijn handen in zijn broekzakken kan warmen en Onzen Lieven Heer den dag afstelen? Marsch! Maakt, dat je wegkomt! En morgen zal ik het aan den meester vertellen, niksnutten, luilakken, klaploopers!"

Eindelijk hield de boer op en haalde diep adem. De jongens stonden als verjaagde katten op de stoep, de voorsten al gereed, om er zoo gauw mogelijk vandoor te gaan en ook de achtersten voelden den moed in de schoenen zakken. Ze hadden het wel gedacht. Doch Trotzli dacht aan den reus Goliath en in zijn hersens zocht hij een kiezelsteen, dien hij dezen reus naar het hoofd kon slingeren.

„Meneer, mag ik nog wat zeggen?"

Zoo'n vermetelheid had de boer niet verwacht en van verbazing viel zijn pijp bijna uit zijn mond. Maar Trotzli gaf hem geen tijd, om zich lang te verbazen, en als een pas-geladen mitrailleur ratelde hij er op los: „Natuurlijk weten wij wel, dat gezonde jongens moeten werken en helpen, waar ze maar kunnen. Dat willen wij ook. En omdat er in Ergenshuizen zooveel menschen zijn, die niets meer te werken en daarom ook niets meer te eten hebben, daarom hebben wij, jongens, besloten, hen te helpen en voor hen een bedeltocht te maken."

De boer had nu zijn pijp in de vuist, en den mond wijd

Sluiten