Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er klinken vlugge voetstappen. De bakker loopt op een drafje. De jongens horen 't deksel dichtflappen. Om zich niet te verraden kijken ze niet achterom.

De bakker keert de kar om. Hij moet een eindje terug en dan de brug over. Daar langs de gracht staan de deftige huizen. Daar heeft hij ook zijn klanten.

Hans kijkt nu even achterom. Hij denkt aan de egel. Die zit nu diep in 't donker vreemd op en neer te schudden, 't Arme dier! Misschien stikt het wel in die dichte doos in die dichte kar.

Hans vindt de grap nu helemaal niet leuk meer.

„Zou 't beest er dóód van kunnen gaan?" vraagt hij aan Piet.

„Dan hindert het nog niets. Er zijn egels genoeg," zegt Piet onverschillig.

Er toetert een vrachtauto.

„Meerijden!"

Piet zegt het haastig. Meteen heeft hij de achterkant van de auto al te pakken. Lenig klimt hij er achterop. „Kom gauw!" roept hij naar Hans.

Maar Hans schudt zijn hoofd. Vader heeft hem streng verboden achter op auto's te klimmen....

't Is de vrachtauto van fourage-handelaar Schouten. Roel, de chauffeur, kijkt even achterom, door 't ovale ruitje van de cabine. Hij knipoogt tegen Piet.

Hans is voor z'n huis blijven staan. Met Piet kun je toch nooit Zo leuk spelen. Toen Frits nog naast hen woonde was 't veel leuker. Maar Frits is verhuisd naar de stad. Nu zijn er nieuwe buren naast hen komen wonen, waar Piet ook bijhoort. Die gaan niet naar de kerk en Piet gaat op de openbare school. Toch jammer, bedenkt Hans, stil in zijn eentje.

Moeder heeft gezegd, dat hij vriendelijk voor Piet moest wezen. Piet heeft geen moeder meer. Zijn vader is reiziger en een tante doet de huishouding.

Piet heeft ook een zusje.

Hans vindt haar wel aardig. Maar Piet, néé, Piet is géén aardige jongen.

De vrachtauto is aan 't eind van de straat de hoek omgezwaaid.

Hans staat nog even te kijken.

Dan gaat hij, langs hun huis, weer naar 't bleekveldje toe, en denkt: „Waar zou de egel nu zijn?"

Sluiten