Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dokter lacht. „Schrikt U daar zó van, moeke ? U dacht zeker aan een ongeluk, hè? D'r is geen sprake van hoor, Hans is springlevend en gezond. Hij heeft alleen maar een flinke daad gedaan: mijn vrouw en kinderen uit angst en nood verlost."

Hans stapt uit. Hij heeft een vuurrode kleur. Moeder begrijpt er niets van, wat die dokter met al zijn grappen toch wil. En waarom staat Hans erbij, alsof hij een misdaad opzijn geweten heeft?

„Nou, juffrouw Derksen," zegt dokter, „Hans zal wel vertellen wat er gebeurd is, ik moet weer verder."

„Dag held," plaagt hij Hans nog even.

„Daaaag," roept Mientje door 't open portierraam. „Als er weer zo'n prikbeest is, moet je maar weer gebakjes komen brengen."

Dokter lacht hartelijk. Hij is al weer achter 't stuur gaan zitten. Hij wuift nog even met zijn hand.

Daar rijdt de auto al weer.

„Bedank je dokter, niet? En waarom zeg je dat lieve meisje niet gedag? En waar ben je zo lang gebleven? Toé, wat doe je vreemd, jongen," zegt moeder wat verwijtend tegen Hans, die verlegen met zijn in papier gewikkeld wittebrood onder zijn arm, naast haar staat.

Zus is er ook bij komen staan. En de vriendinnetjes ook.

„Kom maar gauw mee naar binnen," zegt moeder dan.

„Daar is vader ook al," zegt zus.

Vader stapt van zijn fiets. Achter moeder, Hans en zus aan, gaat hij 't paadje langs 't huis, naar de achterdeur.

„Vort schaapjes, 't is etenstijd," zegt hij.

„Hans is met de auto thuisgebracht," vertelt zus dan. „Maar moeder was boos. Dat hoorde ik wel."

„Foei, zus. Hans zal 't zelf wel vertellen," zegt moeder.

„Wat is er vrouw?" vraagt vader nu, „is er wat gebeurd?"

,,'k Weet 't niet. Hans moet zelf alles maar vertellen," zegt moeder weer.

„Nou, vertel öp," zegt vader, als Hans zijn wittebrood op de keukentafel neergelegd heeft.

Hans weet haast niet wat hij zeggen zal. Maar dan begint hij ineens. „Ik kwam bij dokter. En toen was er een egel in de keuken. En daar waren ze bang voor. En toen moest ik die er uit brengen. En toen was 't zo laat geworden. Toen zei dokter dat hij me maar even thuis zou brengen."

„Dat is ook wat," zegt vader. „Dat was een fijn ritje. Dan kun je ook wel wat vrolijker kijken."

„Hoe kwam je bij den dokter?" vraagt moeder verwonderd.

„Bakker Meelman vroeg me of ik daar even gebakjes heen wou brengen."

3 't Kwam van die egel.

Sluiten