Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennen .... En God wil niet alleen het grote werk van Hans Egéde, maar ook het kleine werk van ons aanzien ...."

Meester blijft nog even stil achter de lessenaar staan.

Hans ziet in gedachten zijn taak duidelijk voor zich. Hij heeft aan Piét gedacht. Ja zeker, Piét. Bij Piet thuis lazen ze de Bijbel ook niet. Misschien had hij wel nooit van den Heere Jezus horen vertellen. Dan moest hij, Hans, voor Pi'ét zijn, dat wat meester Zopas vertelde.

Meester staat nog zwijgend achter de lessenaar, maar 't is of zijn Zachte stem nog door 't lokaal klinkt.

Dan dringt door 't open raam de ijle klank van vier verre klokslagen uit de dorpstoren.

„Tijd!" zegt een van de jongens hardop.

Wèg is nu ineens de stil-vertrouwelijke rust. 't Is een druk voetengeschuifel en hoorbaar zuchten na dat stille zitten.

Meester tikt met z'n sleutel op de lessenaar: „Eerbiedig."

Even later loopt Hans in zijn eentje te denken. Zijn kameraden zijn nu al andere richtingen ingeslagen; 't laatste eind loopt hij meestal alleen.

Er is een stille hoop in zijn hart om Piet te ontmoeten. Die kan nu ook zo ongeveer thuiskomen.

Néé, hij ziet hem nog niet. Daarom loopt hij hun huis voorbij, want Piet moet uit de tegenovergestelde richting komen.

Eigenlijk weet hij zelf niet goed, wat hij nu precies wil. Wel staan de woorden van meester hem nog duidelijk voor de geest, maar daarover kan hij met Piet niet zomaar in eens beginnen te praten.

Daar komt Piet aan. Hij loopt alleen.

Gretig gaat Hans naar hem toe.

„Zeg Piet, zullen we spelen samen?"

Er komt een vals lichtje in Piets ogen en een verachtelijk lachje om zijn mond.

,,'k Wil niet met jou spelen, lelijke verrader."

Hans staat ontzet. „Wablief," zegt hij.

„Ja, dikt," zegt Piet, „dacht je soms dat ik niet wist wat jij verteld hebt van die egel? Je kameraad verraden, dèt kun je."

Piet heeft zich opgewonden, 't Lijkt wel of hij vechten wil.

En Hans? Weg is ineens zijn goede voornemen. Hij voelt zich 't bloed naar de wangen stijgen en kwaad sist hij: „Leugenaar, ik bèn geen verrader."

Tranen springen in zijn ogen. Hij bonkt zijn schouder tegen Piets borst.

,,'k Wil niet eens met jou vechten," zegt Piet. Hij stoot Hans van zich af en loopt weg.

Sluiten