Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Begint al onder 't boterhameten. Hij snauwt tegen broer, die tegen zijn bordje stoot.

„Brrr," plaagt Ger. „Hans is met 't verkeerde been zijn bed uitgestapt."

„Pas maar op jezelf," gromt Hans.

„Hij heeft twee verkeerde benen," sart Ger weer.

Hans wil van zich afslaan, maar vader maakt er net op tijd een eind aan.

En op school? Hans kent zijn jaartallen nog slechter dan gisteravond bij zijn vader. Hij moddert er wat in om. Meester schudt afkeurend zijn hoofd.

„Dat ben ik niet van je gewend, vriend," zegt hij teleurgesteld.

Hans trekt even met zijn schouders.

„Wat doe jij onverschillig, jö! Heb je wat?" Meester zegt het verontwaardigd. Maar 't is net of 't langs Hans heengaat. Of 't hem niets schelen kan.

„Je blijft ze na schooltijd maar even leren," vindt meester. Zijn stem is nu al weer heel gewoon.

Buiten stoeit de herfstwind grote wolkenflarden voor zich uit en 'n verdord blad van de beuk op 't schoolplein zwiert in een wijde boog langs 't schoolraam. Hans kijkt het na als hij daar alleen op zijn bank zit. Meester is er uitgelopen. Die zal dadelijk wel weer terugkomen. Twee andere jongens, Jan en Meindert, die ook hadden moeten schoolblijven, mochten zo pas heengaan.

„Jan van Schaffelaar en Meindert van der Tienen," had meester gezegd, „hier is je tol terug. Zit daar nu niet weer mee te spelen onder schooltijd. Als je me nu zegt, wie Van Schaffelaar en Van der Tienen waren, mag je gaan." Ze hadden 't beiden geweten.

Nu laat meester ze uit.

Hans zit alleen te leren. Hij kent zijn jaartallen nu wel. Als meester nu maar gauw terugkomt, dan kan hij nog wel ongeveer op tijd thuis wezen. Meteen komt meester weer binnen.

„Zeg maar es op."

Hans zegt ze zonder haperen op.

„Zo, Hans Egéde, nu moet je ze later op tijd kennen, hè!"

Hans krijgt een vuurrode kleur. Meester gaf wel vaker de jongens een naam uit de vaderlandse geschiedenis. Tegen Hans zei hij vaak Hans Holbein. Of ook wel Hans Luther. Maar nu hij vanmiddag zo gewoon Hans Egéde zegt, raakt hij een tere snaar in Hans aan.

„Ja, meester," zegt Hans en gaat naar buiten.

Meester kijkt hem na. Hij vraagt niet verder. Hij denkt alleen: wat scheelt Hans vandaag? En hij weet niet hoe Hans van dat Hans Egéde is geschrokken.

Sluiten