Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangeharkte pad met kennersblik beschouwt. In de tuin werken vindt hij altijd mooi. De dorre bladeren doen ze in een grote mand. Als die vol is, moeten ze 'm maar in 't bos leeggooien, had Lies gezegd. _

Ze werken ijverig door. Voor de vierde keer al sjouwen ze de mand, tussen zich in, naar 't bos.

„Zullen we es verder 't bos ingaan?" stelt Piet voor.

Hans kan de verleiding ook niet weerstaan en samen lopen ze tussen de stammen door dieper 't bos in. De grond is glibberig van de vele dode bladeren en boven hun hoofden raast de wind zijn oproerig lied.

„Dit is een mooi stukje bos," vindt Piet. „Zijn er geen paden in?"

„Hier komen geen mensen," veronderstelt Hans. „Dit bos hoort aan de villa."

Ze dwalen verder en komen aan 't eind van 't bos. Een zwartgeploegde rij akkers ligt voor hen. Daarachter is 't donkere groen van een dennenbos.

„Zullen we ook nog even in dat bos kijken?" oppert Hans.

Meteen is hij al over de brede greppel gesprongen. Piet is dadelijk bij hem en samen strompelen ze over de zwarte kluiten naar het tegenoverliggende bos.

„Als die mevrouw nu eens buiten komt kijken naar ons werk?" zegt Hans, terwijl hij omkijkt om te zien hoever ze wel van de villa verwijderd zijn.

Meteen pakt Piet hem met een wilde greep bij de schouder. Verschrikt kijkt Hans om. „Wit, wat is er?"

Maar dan ziet hij 't ook al. Een grote herdershond komt op hen aanrennen en van het erf van een huisje, dat door de dennenstammen heen te zien is, komt haastig een man aanlopen.

„Maak dat je van m'n akkers afkomt...schreeuwt hij hen toe en zwaait met een dikke knuppel. Piet bedenkt zich niet lang. Met grote sprongen rent hij terug naar 't bos van de villa. Bijna valt hij voorover als hij wat al te diep in de losse zwarte grond trapt. Hans volgt hem haastig. Hij hoort de herdershond hijgend dichterbij komen. Hij ziet Piet over de greppel springen en tussen de stammen verdwijnen. Nog even, denkt hij. Maar dan is de woedende hond vlak achter hem. Een korte, nijdige grom, die Hans 't kippevel op 't lijf jaagt, en .... Nee, gelukkig, de hond heeft alleen zijn broek maar te pakken.

„Houd 'em," buldert de boze stem van den boer.

Maar Hans springt met een ruk verder. Hij voelt zijn broek scheuren. Hij is los. Direct is ook hij over de greppel gesprongen en rent, haast struikelend over zijn eigen voeten, 't bosje in.

Sluiten