Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor zich heen zitten kijken en nu zegt ze: „En wat ben ik nu bij jullie in de schuld, werklui?"

Nu blijven Hans en Piet 't antwoord niet schuldig. Dadelijk zeggen ze allebei: „Niets mevrouw."

„Dat is goedkoop," lacht mevrouw, „maar voor ieder een kwartje, dat vind ik beter. Jullie ook niet?"

„Nee mevrouw, dat hoeft echt niet," zeggen ze allebei weer.

Mevrouw lacht weer en dan, ineens, gaat de deur open.

„Dókter," zegt Hans. T1 , ,

„Dièg," zegt dokter. „Ik reed hier langs moeder. Ik dacht: misschien zijn de tuinlui er nog, dan kan ik die meenemen."

„Dèt treft," vindt dokters moeder. Ze geeft Hans en Piet ieder een kwartje en zegt: „Welbedankt, hoor en als je zin^hebt, mag je wel weer es terugkomen. Maar pas dan op Bergman."

De jongens bedanken en lopen dan al vast naar dokters auto. Hans' ogen glimmen. Dat treffen ze toch maar eventjes. Van pure pret geeft hij Piet een ribbestoot, die deze onmiddellijk beantwoordt.

„Houd op," zegt Hans dan, „als dókter 't ziet!"

Even later rijden ze deftig de straatweg af.

„Zó," zegt dokter, „heeft Bergman jullie te grazen gehad?

Hans en Piet vertellen. ..

„Hij heeft mij, toen ik een jongen was, eens een pak voor mijn broek gegeven van je welste. Asjeblieft, ik dacht dat mijn benen kapot waren. Daarom ben ik ook maar dókter geworden. Ik dacht: als hij 't dan later weer doet, dan kan ik zélf mijn benen weer maken.

De jongens lachen.

Die dokter was toch een grappenmaker!

Sluiten