Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„We gaan nu verder," zegt hij en dan wordt 't vanzelf stil.

„De Heere Jezus vertelde ook nog een ander verhaal. Dat ga 'k jullie nu vertellen, 't Is van een rijken man. Gewéldig, wat was die man rijk. Een prachtig huis had hij. Mooie kamers en fijne zalen waren er in dat huis. En alle dagen waren er gasten. Niet één of twee. Maar heel véél. Elke dag leek een feestdag. Heerlijke spijzen werden er opgediend. Kostelijke dranken gedronken. Gelachen werd er en vrolijk gepraat. Ja, jongens, als je zó rijk bent, dan kun je ook wel l&chen, hè? Zo rijk zouden we allemaal wel willen wezen. Nu moeten we zo veel dingen missen. Jullie vader en moeder kunnen je alles niet geven, wat je wel graag zoudt willen hebben, hè? 't Zou wel fijn zijn, als dat kon, denken jullie misschien. Een mooie fiets of wat anders. Nou, die rijke man kon alles krijgen, wat hij hebben wilde. Dié was nu toch wel gelukkig, hè ...."

Meester wacht even. Dan gaat hij verder: „ .... Weet je, wie aan de poort van dat mooie huis lag? Een bedelaar. Niet zo'n bedelaar als jullie wel eens langs de huizen ziet lopen. Nee, veel erger nog. Deze man had bijna geen kleren meer aan. Zijn halfnaakte lichaam deed hem zeer. Zweren zaten er op. Bah! Je werd er naar van als je er naar keek. Die arme stakker, hé! Hij had geen ander gezelschap dan de straathonden. Ach jongens, wat was die man ongelukkig."

Weer wacht meester. Hans ziét dien man liggen, daar aan de poort. Hij is Piet vergeten. Hij voelt zich vertrouwd bij die bekende stem van zijn meester en is helemaal wèg in 't verhaal. Piet luistert ook. 't Is voor hem alles nieuw. Hij is nieuwsgierig, hoe dit aflopen zal.

„Nou, jongens," zegt meester dan weer, „als wij eens kiezen mochten, wie we 't liefst zouden zijn, dan kozen we den rijken man, hè?"

Maar nu moet je es horen. Die rijke man was toch de gelukkigste niet. Dat is vréémd, denk je misschien. Dat denken grote mensen ook nog wel. Als je maar gèld hebt. Dan ben je gelukkig. En toch is dat niét zo. Je kunt met geld héél wat, hoor. Maar je kunt er soms ook niéts mee. Kun jullie de gezondheid er wel voor kopen? Néé, hè! Of zouden we de dóód er mee af kunnen kopen? Oók niet, hè! Alle mensen gaan eenmaal sterven. Rijken net zo goed als armen. En dan?

Nou, dan is 't uit, zeggen veel mensen. Dood is dóód.

Dat is tóch niet zo, jongens. Die mensen vergissen zich héél erg. Want na de dood zijn we één van beiden: óf in de hemel óf in de hel. Méér mogelijkheden zijn er niet.

Die rijke man had God niet liefgehad. Hij stierf. Hij had een héle deftige begrafenis. Allemaal prachtig en deftig. Maar.... wat gaf hem dat alles ? Niets! Hélemaal niets. Hij was in de hèl.

Sluiten