Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ster. De straat houdt op. Er is een landhek. Even verder is de duidelijke streep van de bomenrij van een weg. Welke weg is dat, denkt Piet. Wat? Is daar niet de watertoren? Die zwarte steenklomp boven 't bomendonker ? 't Is zo, weet Piet ineens heel zeker. Als hij daar dus is, dan is hij op weg naar huis. Vooruit.

Hij klimt over 't hek. Twee schapen vluchten voor hem weg, de schrale, avonddonkere wei in. Daar ginder is weer een hek. Vlug er over en daar loopt hij op de straatweg. Zijn hoop is weergekeerd.

Hij begint opgewekter te lopen. Immers niemand weet het. Roel, ja, die weet het, van dat Andere mes. Maar die zal zich wel stilhouden. Verder weet niemand wat. Hij kan gewoon zeggen, dat hij te laat was voor de auto. Dat hij verdwaald was in nieuwe stadswijken. Ze zullen trouwens wèl ongerust wezen. En hoeveel uren duurt het nog, voor hij thuis is ? Is 't niet ongeveer twintig kilometer van de stad naar 't dorp? Dat zou dus ruim vier uur lopen zijn. Misschien is 't nu half vijf. Dan zou 't dus halfnegen worden. Dat is verschrikkelijk laat. Wat zouden ze din thuis ongerust zijn.

Piet begint vlugger te lopen. De straatweg ligt nu al in 't donker. Alleen langs de berm glimt het water van de poldersloot. Dan schuiven de lichtbundels van een paar autolampen voorbij, fèl schijnend tegen de witte strepen op de boomstammen in de bocht.

Even hoopt Piet dat Roel er aankomt. Maar nee, een fijne luxe wagen suist voorbij. Ach, Roel zal ook wel al lang thuis zijn. Die zit 'm in stilte zeker al voor alles uit te schelden. Maar 't kan hem niéts schelen. Hij komt er zo ook wel.

Misschien is hij nu al een halfuur onderweg. Dan schiet het dus al mooi op.

Telkens gaan hem nu auto's voorbij. Soms ziet hij niets meer, als zo'n verblindend licht in zijn ogen schijnt. Een voorbijfietsende boer bromt op 'm, omdat hij daar zo gevaarlijk loopt. Uit voorzorg gaat hij nu achter de bomen lopen.

Maar dat valt hem niet mee. 't Loopt veel zwaarder dan op 't harde rijwielpad. Zijn moed en onverschillige durf beginnen hard te minderen, 't Lijkt in 't donker alsof hij niets opschiet. Altijd maar die boomstammen en 't herhaald bewegen van haastige lichten.

't Is of zijn ogen er moe van worden. In de verte blijft een bescheiden lichtje onbeweeglijk op zijn plaats. Is 't een fiets? Nee, dat kan niet. Als Piet dichterbij komt, ziet hij dat 't licht groen is. 't Kan toch het licht van de brug niet zijn? Ja, er zijn er twéé. Hier is 't brugwachtershuisje al.

Is hij dus nog niét verder? Als je hier met de vrachtauto was, dan dacht je: nog een ogenblikje en we zijn in de stad.

En nu had hij nog wel gemeend, dat er reeds een halfuur ver-

Sluiten