Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als hij alles gehoord heeft, verbergt hij zijn gezicht in zijn beide handen. Hoort Piet het goed? Kreunt zijn vader daar? Is het zó erg, zó erg? Zonder bedenken gaat hij vlak naast zijn vader staan. Hij legt zijn handen op diens schouders.

„Niet doen vader, niét doen!" smeekt hij.

Van der Lijn kijkt hem aan. „Jij, een diéf, een leugenaar .... 'k Kin 't me niet voorstellen! Hoe moet dat ooit weer goed komen ....?"

Hij zucht diep. „Waar is dat mes?" vraagt hij dan.

Piet geeft het dadelijk over. „Dat andere heb ik verloren," zegt hij bang.

„Welke winkel was 't?" vraagt zijn vader weer.

Piet vertelt het. ,,'k Zal zien of 'k het weer in orde kan brengen voor jou," zegt Van der Lijn zacht.

Die avond kan Piet de slaap niet vatten. Wondere gedachten woelen in zijn hoofd. Zijn ogen voelen pijnlijk zwaar van 't huilen. Nee, vader is niet boos meer. Tante heeft nog wel even gemopperd, maar hem toch welterusten gezegd. Maar nog is er onrust in zijn hart. Hij woelt in zijn bed.

De regendroppels tikken tegen 't vensterglas. Buiten is 't donker en koud.

Piet huivert onder de dekens. Hij voelt zich hopeloos alleen. Was er maar iemand, die hij hier in 't eenzaam donker bij de hand kon nemen. Ach 't kon niet.

Zou die Heere Jezus hem nu zien? Zou Die hier nu bij hem zijn? Of nu niét, nu hij een dief en een leugenaar was. Of had mevrouw juist gezegd van wèl.... ?

Piets gedachten beginnen te vervagen. Langzaam slaapt hij in.

Buiten is de wind opgestoken.

De regen jaagt nu kletterend tegen de ruiten.

Piet weet het niet.

En boven dit aardse donker, in de lichte hemel, waakt de Heiland, Die zondaren zoekt. Hij wacht ook op Piet.

Piet weet het nóg niet.

Sluiten