Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toe, Jantje!" zegt moeder, „ga eens op den weg kijken, of Gerrit nog niet komt!"

Nogmaals doet de koe haar droefgeestig geloei hooren, wat stellig zooveel beteekenen moet als:

„Och ja, mijn goede mensch! ik weet wel, dat je me niet vergeet; maar het zonnetje schijnt zoo lekker, dat het mij hier in den donkeren stal te benauwd wordt."

Jan huppelt nu naar buiten. Over het vóetpad komt hij op den landweg en tuurt nu den oostelijken kant uit.

Daar komt op eens de verwachte kameraad met groote luidruchtigheid grihnekend uit he^ kreupelhout langs den weg te voorschijn springen. „Halloo!" roept hij zijn vriendje toe. „Nu ga je toch vandaag mede, is 't zoo niet?"

„Ja," zegt Jan blijde, „moeder heeft gezegd, dat ik mee mag, als we maar niet dicht bij het water komen. In het water zit een bullebak, die de kleine kinderen bij de beenen omlaag trekt!"

„Dat is toch raar," zegt Gerrit, ,,'k ben al zoo vaak kopjenonder geweest en heb dien bullebak nog nooit opgemerkt. Maar misschien is hij ook niet te zien en heeft hij mij toch bij de beenen beet gehad, want zinken deed ik als een baksteen. En zie eens, Janneman! Wat heb ik hier voor je? Komaan! raad toch eens, wat ik voor je heb meegebracht! 'k Wed, dat je 't nooit raden kunt!"

Grinnikend van pleizier haalt Gerrit een papieren zakje onder zijn gelapt buis voor den dag en houdt het een poosje in de hoogte.

„O, ik weet het al!" roept Jan verheugd uit, „'t zijn aalbessen!" En vol verlangen steekt hij de beide handen omhoog om het zakje machtig te worden.

„Je bent toch een knappe jongen!" zegt Gerrit op bewonderenden toon, terwijl hij hem het zakje overgeeft. „Ik geloof, dat jij alles raden kunt, wat je maar opgegeven wordt!"

Gerrit lacht smakelijk en beweegt hoofd en bovenlijf héén en weer, enkel van pret. En hij blijft lachen, zoolang zijn kleine vriend bezig is, de geurige vruchten op te peuzelen.

Sluiten