Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn vriend moest hem vasthouden. Z^ó sukkelde men een eind verder.

Zij kwamen nu op een plaats, waar ter zijde van den weg sleedoornstruiken groeiden. Bles keek daarnaar met bijzondere opmerkzaamheid. Het vrachtje op haar rug begon haar lastig te worden. Nu had zij een geschikte gelegenheid, om het kwijt te raken. Snuivend liep zij op de dorens toe en streek er zoo dicht langs, dat de kleine ruiter eenige prikken ontving; en eer Gerrit het verhoeden kon, was Jantje een zandruiter geworden. Bles had zich intusschen heelemaal zijwaarts gebogen, zoodat Jan zich volstrekt niet bezeerd had. Maar van het rijden was nu vooreerst het nieuwtje voor hem af.

Bles kreeg een paar slagen met een stokje, omdat hij den jongens zulk een streek gespeeld had.

Na eenige oogenblikken te zijn voortgegaan, terwijl de koe ondertusschen hier en daar een stukje gras heeft afgebeten, maakt Gerrit een vervaarlijk keelgeluid, dat over den geheelen omtrek weerklinkt.

Hij luistert een poos, of zijn gegil niet beantwoord wordt. Daar dit niet het geval is, sluit hij de beide handen aaneen, zóó dat zij een holte vormen. De duimen blijven een weinig van elkander verwijderd en in de dus gevormde opening blaast hij sterk. Een doordringend gefluit klinkt nu door de lucht.

Na eenige oogenblikken hoort hij van den rechterkant een zelfde gefluit.

„Hein komt ook!" zegt Gerrit tot zijn kleinen makker. En inderdaad: uit een zijweg komt een jongen van denzelfden leeftijd als Gerrit, insgelijks met een roodbonte koe aan een touw, opdagen. Zijn pet met gescheurde lederen klep staat luchtig op één oor. Zijn oogen kijken helder en opgeruimd rond. Zijn ouders wonen in gindsche hut. Als gij goed luistert, kunt ge het: „Tikke-takke-tikke-takke" van zijns vaders weefgetouw hooren.

Hein Sterk, — zoo heet hij met naam en toenaam, is de kameraad van Gerrit. Samen hoeden ze ieder een koe langs de wegen en op de laagste plaatsen van het oostelijk gelegein

Sluiten