Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bespiedt- zelfs de minste beweging van het angstige dier, dat achter het hout wegduikt, meenende dat de jongen zich door een morgenwandeling een beetje gaat opfrisschen.

„Ik blijf stil zitten!" denkt heer Langoor. „Hij let niet op mij en liep ik weg, dan zou hij mij dadelijk opmerken. Ja, Ja! ik Den snuggerr verbazend snugger! Ik heb hem beet! Wis en zeker heb ik hem beet!"

„Maai wat gaat hij, nu toch beginnen ? Daar staat hij opeens zoo stil als een paal! Wat zou dat tweebeenige, monsterachtig groote schepsel toch eigenlijk willen?" vraagt heer Langoor zich eer. oogenblik later af, niet zonder een benauwd gevoel van angst.

Hel arme dier zal maar al te spoedig tot zijn ongeluk ervaren, wat dat verschrikkelijke tweebeenige monster in het schild voert. Met de juistheid en de kracht van den geoefenden herdersjongen toch slingert Hein den klomp naar den haas, die vlak achted' de ooren in den nelc getroffen wordt. En dit is juist zijn teerste plek.

Hij geeft een pijnlijken gil. Dood is hij wel is waar nog niet, maar half versuft en van schrik geheel verbijsterd springt hij op en neer, al door op en neer, zoo snel dat de jongen, buiten staat is om hem te grijpen. De knaap, die vreest, dat de haas hem nog ontsnappen zal, vat nogmaals den klomp en slaaf er in 't wilde mee op zijn slachtoffer los. De haas bezwijkt nu spoedig, maar de klomp bezwijkt evenzeer. De helft

houdt onze dappere Hein in de vuist geklemd; het overige

«

gedeelte yliegt weg.

Dal is een lastig geval, te lastiger, omdat Gerrit geen ander paar heeft, — hier niet en in huis ook niet.

„Deelen?" roept Gerrit hem toe, die in ademlooze spanning en zonder zich te verroeren het jachttooneel heeft gadegeslagen.

„Wel ja! Wat anders!" roept Hein lerug.

„Krijg ik ook een stukje, om het aan moeder te brengen?" vraagt de kleine Jan.

„Je krijgt evenveel als wij. Eerlijk zullen we meneer Langoor deelen," zegt Hein weer.

Sluiten