Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gerrit, die het ongeluk met zijn klomp nog niei bespeurd heeft, is met deze schikking natuurlijk in de wolken.

„Wat een buitenkansje!" roept hij opgetogen uit.

„Vleesch in den pot; vleesch in de pan,

Dat is zoo mooi, als 't maar wezen kan!"

Ook de kleine Jan schatert het uit van pret.

Intusschen is Hein met' den haas in de eene en de stukken van den klomp in de andere hand weer de sloot overgewipt.

Daar staat hij nu op den hoogen wal en laat zijn oögen bespiedend door de ruimte gaan. Hij weet maar al te goed, dat het dooden van een haas bij de wet verboden is, ja, dat zelfs het dragen er van buiten den jachttijd strafbaar is. Daar bespeurt hij in de verte op den landweg een zeker geflikker, dat zich telkens herhaalt.

„Dat zijn de blinkende knoopen van den veldwachter!" denkt Hein en hij werpt schielijk den haas onder een berkenboschje.

Gerrit opent juist zijn mond, om te vragen wat die vreemde handelwijze beteekent, maar zijn makker beduidt hem, door den vinger op den mond te leggen, dat hij zich stilhouden moet, omdat er onraad is. Doch het volgende oogenblik zegt hij: „0, 't is de knecht van boer Veeneman maar, die met de zicht naar de heide gaat en schollen wil maaien."

Schollen zijn dunne heidezoden, die tot strooisel in de stallen dienen.

Een poosje later ziet men de knapen bezig, om met een stuk bindtouw den kapotten klomp weer wat op te knappen.

„'t Gaat zooals het best kan, maar\ goed gaat het niet!" mompelt Hein.

„'t Zal wel schikken!" zegt Gerrit. „Een paar nieuwe klompen moet ik toch binnenkort hebben, 't Is eigenlijk maar goed, dat ze nu allebei stuk zijn, want om dag in dag uit met anderhalven klomp voort te sukkelen, zooals ik nu al een veertien dagen heb moeten doen, dat is allesbehalve pleizierig." .

Bij deze woorden geeft hij zijn pet weer een duw naar achteren.

Sluiten