Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Mevrouw Knozee zag het.

Zij zag in dat aardige troepje en hoorde in dien gezonden kinderlach, die omhoog steeg en in haar luisterend oor zoo welkom klonk, het mooie, blijde lied, dat van onbezorgde, gelukkige kindervreugde, van stralende, in alles behagen scheppende en alles genietende, onschuldige kindergezichten zingt.

En dat nieuwe lied vormde met de oude, welbekende tonen, die in haar kamer leefden en vooral in haar hart weerklonken, een wonderschoon geheel: het lied van haar leven, dat stil, weemoedig tot haar zong van innige liefde en van diepe smart, dan weer van geduldig lijden en hopen, maar bovenal van krachtig gelooven en vreugdevol vertrouwen, van moedergeluk en kinderliefde, en naar welks vredig ruischen zij nooit moede werd te luisteren.

Als de kinderen moe van het spelen waren, zetten zij zich onder den boom bij Kaatje neer, die dan limonade schonk, en zelfgebakken koekjes ronddeelde.

Het was een soort trots van Kaatje, om de kinderen eens goed en lekker te doen eten. Zij wist alles zoo heerlijk toe te bereiden, dat vond een ieder die in het huis te gast was, en Kaatje zelf vond het vooral. Toen zij Nanny's bleek gezichtje, dat zoo bij Ella's roode wangen afstak, voor het eerst zag, kreeg zij dadelijk medelijden met haar.

„Dat arme kind eet zeker niet genoeg!" riep zij verontwaardigd uit, toen zij dien avond bij Mevrouw was; „ze moest maar eens een poosje hier zijn, dan zou oude Kaat wel maken, dat zij er gauw net zoo goed uitzag als Ella, hoor!"

Mevrouw had haar toen getroost, door te zeggen dat

Sluiten