Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel heere m'n tijd, jongen, je doet me schrikken! wat valt je in?" schreeuwde het oude mensch onthutst. Met beide armen om haar gerimpelden nek, fluisterde Frits haar héél zachtjes in 't oor: „Zeg, Kaat, we eten zeker héél lekker vanmiddag; wat krijgen we?"

„Ik weet er niets van, hoor!" bromde Kaat; „jongen, je stikt me bijna, laat me los, ik moet verder."

„Nee, Kaat, ik laat je niet los eer je 't me zegt, hoor!"

Kaatje, nog steeds worstelende om los te komen, moest ten slotte toegeven.

„Akelige dwingeland! ik zal het je dan maar zeggen, anders zou door jou het eten nog aanbranden: je krijgt roode kool!" Ze grinnikte luid over haar grap, want roode kool was een groente, waar Frits niet van hield.

„Het is niet waar, Kaat, want je weet dat ik geen roode kool lust; neen, houd me nu maar niet voor den mal; we krijgen zeker flensjes?"

„Nou, goed geraden; laat me nou gauw door!"

„Het is lekker, hoor!" Frits maakte met zijn lippen een smakkend geluid, als proefde hij ze reeds. „Wat we verder krijgen, kan me niks schelen; daarom zal ik je nou maar laten gaan; je bent een goede, oude Kaat," en, terwijl hij zijn armen van haar aftrok, gaf hij haar een klinkenden zoen op de oude, rimpelige wangen.

Blij dat ze vrij was, dribbelde Kaatje vlug naar de keuken, om haar oog nog eens te laten gaan over het klaarmaken van het middagmaal, want als er bezoek kwam, sloofde zij zich nog meer dan gewoonlijk daarvoor uit. Intusschen

Sluiten