Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hei en bosch. In dit, met vele hel-geschilderde heiligenbeelden, gekleurde kaarsen, papieren bloemen en bonte tapijtjes opgesmukte kerkje, preekte Zondags, op heiligendagen, en verder iederen morgen in de vroegte voor de mis, Pastoor Leeflang. Deze was een man van middelbaren leeftijd, met bleek, mager gezicht. Zijn groote, donkere oogen gaven echter eene verzachtende uitdrukking aan de stroeve trekken van zijn denkersgelaat. Hij bezat eene groote mate van welsprekendheid, waarmee hij veel invloed op de zeer geloovige dorpelingen uitoefende. Buiten de kerk zag men hem niet veel in het dorp; bezoeken bracht hij zelden; slechts bij uitzondering, wanneer er iemand geboren, getrouwd of gestorven was. Verder leefde hij teruggetrokken met zijne zuster in de stille pastorie naast de kerk, waarheen de dorpelingen menigmaal een haas of snip, jonge groenten of fruit brachten. Want wanneer zij iets goeds geschoten of geplukt hadden, dan wilden ze dat Mijnheer pastoor er ook van proeven zou; volgens hen hoorde dat zoo, het was van oudsher de gewoonte geweest en ze deden het vol eerbied en liefde. Wat Mijnheer pastoor gebood, was hun wet, en daar was niemand, die het ooit zou wagen iets in te brengen tegen zijn verordeningen. Doch niet alle bewoners waren Roomsch; er waren ook Protestanten, en er was een Protestantsch kerkje. Dat stond een goed eind gaans van het dorp af, aan den grindweg, die door de heide van Doorle naar Holden liep. Het was een klein, vierkant gebouw, dat daar eenzaam en verlaten troonde op de verre, ruwe heivlakte.

Sluiten