Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Protestanten uit Holden en Doorle kwamen er Zondags samen; de dominee der beide gemeenten woonde te Holden, omdat dat grooter gemeente en dichter bij de

kerk was dan Doorle.

Veel moois had het gebouwtje niet, maar het had itoch een toren, welks spits naar boven wees, en dat vonden de menschen genoeg.

De binnenmuren waren kaal en wit; de preekstoel en banken van eenvoudig geverfd hout; alleen de eerste bank in den zijhoek was met donkergroen fluweel bedekt en er lagen een paar bijbels. Die bank was eenter gedurende den geheelen langen winter iederen Zondag onbezet geweest. Het was de familiebank van Huize „Rust."

Huize „Rust" was het groote, oude huis, dat op een heuvel achter Doorle lag. Het was een statig, ouderwetsch gebouw, omgeven van een grooten tuin, die aan een dennenbosch en aan de heide grensde. Aan weerszijden van de breede oprijlaan stond een rij dennen; die laan begon reeds in Doorle en was een kwartier gaans tot aan het huis.

Den geheelen winter was het huis gesloten geweest; alleen de huisbewaarster bewoonde een paar kamers der benedenverdieping om het te onderhouden, en dat had de dorpelingen wel wat norsch gemaakt, want het was stil in Doorle, stil en eentonig, wanneer van het huis op den heuvel geen vriendelijke tonen aanruischten en weerklonken rondom. En zoolang de oudste Dooriers zich herinnerden, was Huize „Rust" bewoond geweest, zomer en winter, altijd. Een oud paar had er lange jaren vreedzaam, stil en

Sluiten