Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heuveltje, dicht bij het beekje, het gezichtje voorover, gesteund op de handjes, heel stil, half te droomen. En zij dacht aan wat Anna haar dien morgen verteld had, n.1. dat klein Anneke van Vrouw Wes een stuip had gehad en 's nachts gestorven was, en dat Vrouw Wes nu zoo erg bedroefd was. Later had ze er Mieke en Marianne over hooren praten, en Marianne had gezegd dat het vreeselijk was dat het kind niet gedoopt was, want nu zou het niet in den Hemel komen; het heele dorp sprak er over.

En in Nanny's hoofdje woelde het; het kind vroeg zich af waarom dat lieve, kleine Anneke nu geen engeltje worden kon, of dat nu werkelijk alleen zijn zou, omdat het nog geen droppel water op het hoofdje ontvangen had. Nanny had pas eens een kind zien doopen; juist dien eenen keer, toen zij voor het eerst naar de kerk was geweest — op haar eigen aandringen had zij voor een keertje met vader en moeder mee mogen gaan naar het Holdensche kerkje — was er een kind gedoopt. Zij had het goed kunnen zien en erg meelijden gehad met dat heel kleine kindje, want die droppel zou toch wel erg koud zijn; en zij geloofde bovendien dat het sliep, want het had de oogjes niet eens open gehad.

De hooge dennen boven haar zwiepten heen en weer; het beekje murmelde verder, eentonig en zacht; een verdord blaadje werd door den wind opgenomen en viel een eind verder weer neer. Een muschje zette zich vertrouwelijk naast Nanny, het tjilpte en scheen niet bang voor het kind.

Uit de verte klonk het rumoer der spelende kinderen,

Sluiten